Geschiedenis

De gegevens voor deze historische schets zijn ontleend aan het boek "125 jaar College Zottegem", uitgegeven in 1987, en nog steeds verkrijgbaar in het College. Rond het midden van de 19-de eeuw bleef het onderwijs te Zottegem beperkt tot enkele privé-scholen. Sommige leerkrachten werden door de gemeente betaald om kosteloos onderricht te geven aan de behoeftige kinderen. Het College O.- L.- Vrouw van Deinsbeke is in 1862 opgericht naar aanleiding van het wegvallen van een dergelijke school. Het leek de geschikte kans voor de katholieken om ook te Zottegem een stevige positie te verwerven op onderwijsgebied.

Alfred Dehon, die te Zottegem een private dag- en kostschool openhield, werd in de zomer van 1862 weduwnaar. In september sloot hij zijn school in het gemeentelijk schoolgebouw en verliet Zottegem. De leemte die daardoor ontstond werd besproken in de gemeentraad van Zottegem, die op zoek ging naar een oplossing. Aanvankelijk zag het ernaar uit dat de Broeders van de Christelijke Scholen in de gemeentelokalen een Katholieke school zouden openen, maar van dit plan kwam niets terecht - om praktische en wellicht ook om politieke redenen. De Gentenaar August De Rouck, die in Zottegem heel wat eigendom bezat en er zeer actief was bij de katholieke burgerij (hij was o.m. de stichter van de Katholieke Kring), nam een nieuw initiatief. Hij vond de Gentse bisschop Delebecque bereid twee geestelijken te sturen om een bisschoppelijke school op te richten: de 35-jarige priester Romain Nechelput en de diaken Magloire Van den Bossche. De Rouck stelde zelf zijn eigendom op de hoek van de Kasteelstraat en de Neerhofstraat ter beschikking. Die lokalen hadden gediend als weefwol, vergaderzaal en bibliotheek van het Sint-Vincentiusgenootschap (waarvan De Rouck jonge boompjes kweekte voor zijn kasteel in Grotenberge).

Op 21 oktober 1862 opende de nieuwe katholieke school haar deuren, onder de naam ‘Institution Notre-Dame de Deynsbeke', in de volksmond vertaald als 'Gesticht'. Er waren van bij de start 90 leerlingen. Maar de materiële uitrusting omvatte weinig nieuws en was zeker niet comfortabel. Leraar Van Den Bossche gebruikte als lessenaar een bak waarin boeken waren verzonden, terwijl de 60 leerlingen van zijn klas op ruwe banken zonder schrijfplank zaten. Dierecteur Nechelput had in de hoogste klas een 30-tal leerlingen. Het studieprogramma was ongeveer dat van het einde van het lager onderwijs en het begin van het middelbaar onderwijs.

Na de dood van de zieke Nechelput in 1864 werd Magloire Van Den Bossche directeur, die inmiddels priester was gewijd. Naarmate de jaren voorbijgingen kon het Gesticht zich verheugen in een stijgend aantal leerlingen (150 in 1862), leraars en klassen. In 1868 stond De Rouck, die tot dan toe alles bekostigde, zijn gebouw af aan het bisdom Gent. Het jaar daarop, bij de benoeming van Jeroom Van Holewinckel tot nieuwe directeur, werd bij het Gesticht een woning gebouwd voor de leraars, die voordien op verschillende plaatsen in Zottegem waren gehuisvest. Tijdens de 12 jaren van zijn bestuur gaf Van Holewinckel aan zijn college een duidelijk onderwijsprofiel. Van 1881 tot 1883 werden alle collegegebouwen gesloopt en - naar een ontwerp van Alfons Vossaert, broer van directeur Theodoor Vossaert - werd een nieuw, neogotisch complex opgetrokken, dat er nu nog staat. Weer nam De Rouck een deel van de bouwkosten voor zijn rekening, en na zijn overlijden zette zijn dochter Anaïs deze steun verder.

Op last van bisschop Lambrecht en onder impuls van bestendig afgevaardigde Mussely opende de pas benoemde directeur Aelvoet op 11 oktober 1887 een nieuwe studierichting aan het Gesticht : de landbouwschool. De landbouwcrisis, begonnen in 1876, kende rond die tijd haar hoogtepunt, en van staatswege was aangedrongen op de oprichting van landbouwscholen in de daartoe gunstig gelegen dorpen en steden, waaronder Zottegem. Naast het bestaande programma konden de leerlingen gedurende twee jaar een bijkomende cursus landbouw volgen, waarover ze afzonderlijk examen aflegden. Ondertussen werden de lessen van de middelbare afdeling georiënteerd in de richting van handelsonderwijs. Rond die tijd zag het volledig programma er als volgt uit :

de voorbereidende afdeling, waar jongens vanaf 7 jaar aanvaard werden, bestond uit 2 leerjaren; de middelbare afdeling, verdeeld over 3 studiejaren, die voorbereidde op verdere Latijnse studies en eveneens toegang gaf tot de ‘professionele afdeling'; de ‘professionele afdeling' (soort handelsonderwijs), die voorbereidde op staatsloopbanen bij de spoorweg en de post; de landbouwcursus. Na de 1e wereldoorlog steeg het aantal leerlingen heel sterk. Ondertussen was er steeds meer vraag naar een Latijnse humaniora, zodat daarmee werd gestart in 1929. Aanvankelijk had het Zottegems college enkel het eerste en tweede jaar van deze afdeling; in 1937 kwam daar het derde jaar bij. Tussen de beide oorlogen werden in de lagere school geleidelijk alle leerjaren ingevoerd. Na de tweede wereldoorlog verminderde de vraag naar landbouwonderwijs en in 1947 werd de landbouwafdeling dan ook afgeschaft.

Een beslissende stap in de richting van een volledig aanbod van middelbaar onderwijs zette superior Oste in 1959, toen hij de hogere cyclus van het middelbaar onderwijs oprichtte. In 1962, honderd jaar na de stichting van de school, mocht het 'Gesticht', dat inmiddels 'College' was geworden, het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs uitreiken aan een eerste groep van 30 afstuderenden in de richtingen Latijn-Grieks en Wetenschappelijke B. Om de uitgroei van het college op te vangen, liet superior Oste een totaal nieuw gebouwencomplex optrekken in de wijk Bevegem (Ooststraat) - de straat zelf moest toen nog aangelegd worden. Vanaf het schooljaar 1962-63 nam de middelbare afdeling haar intrek in het nieuw gebouw, waardoor de lokalen in de Kasteelstraat volledig ter beschikking kwamen van de lagere school, die in die tijd haar grootste aantal leerlingen telde (ruim 500).

Stilaan kreeg de middelbare afdeling nieuwe afdelingen bij: Latijn-Wetenschappen in 1962, Wetenschappelijke A in 1965, Latijn-Wiskunde in 1968 en Economische in 1981. Met ingang van 1989 werd dit studie-aanbod jaar na jaar omgevormd in de 'nieuwe structuur' van het secundair onderwijs.

In 1970 was het de beurt aan de lagere school om uit te groeien buiten de vertrouwde Kasteelstraat. Op 3 november werd in prefablokalen naast de gebouwen van de middelbare afdeling in de Ooststraat een nieuwe wijkschool geopend waar jongens uit de omgeving het 1° en 2° leerjaar konden volgen. Op 16 oktober 1972 opende in de nieuwe Bijlokewijk een kleuterschool van het college haar deuren; daardoor werd de 'lagere afdeling' van het college een 'basisschool'. Een grondige herstructurering van de basisschool volgde in 1987. Het college nam toen het bestuur van de basisschool op het Heilig-Hartplein van Bevegem over. Omwille van het beperkt aantal kinderen werd de kleuterschool in de Bijlokewijk gesloten. Een aantal van die kinderen ging over naar het Heilig-Hartplein, evenals het 1° en 2° leerjaar van de Ooststraat.

Plaatsgebrek was een telkens weerkerend probleem in de middelbare afdeling. Op het bestaande gebouw kwam in 1974-75 een tweede verdieping. In februari 1978 werd de priesterswoning naast het college in gebruik genomen. En in 1992-93 moest de (inmiddels verlaten en bouwvallig geworden) prefabvleugel van het 1° en 2° leerjaar wijken voor een nieuwe vleugel van 8 klassen.